Thema 1: Stedelijke DNA, creatieve clusters en identiteit

Coördinator: Marc de Kroon en/of Chris Jagtman (AM BV)
NB: De praktijk van de proeftuinen wijst uit dat thema 1, Stedelijk DNA, regionale clusters en identiteit en thema 4, identiteit en marketing sterke overeenkomsten vertonen. Voor beide thema’s gelden dezelfde dilemma’s. Daarom is er voor gekozen om beide thema’s voorlopig als één geheel te benaderen. Na afloop van de miniconferentie kan worden besloten of de thema’s definitief worden samengevoegd.

Regionale clusters, creatieve ketens en stedelijk DNA  
De lange termijn ontwikkeling van de creatieve economie kent tal van onzekerheden. In deze fase van de ontwikkeling onderscheidt de creatieve economie zich van de industriële productie en de dienstverlening doordat niet het vestigingsklimaat voor bedrijven en kantoren maar het groeipotentieel van creatief talent centraal staat. De creatieve economie richt zich op de ‘kop/staart’ economie: het ontwerp, de ontwikkeling en de afzet van nieuwe producten.

Het is een groeimarkt waarin de waardecreatie niet het gevolg is van kostenconcurrentie, maar van nieuwe product/markt en technologie/ontwerp/product combinaties. Creatieve economie staat dwars op bestaande productieketens en komt voor in de vorm van zelfstandige dienstverlening (reclame, marketing of mediabedrijven), maar ook als geïntegreerde dienst binnen grotere productieketens (bijv. Philips Design).   

Uit onderzoek van TNO dat ten grondslag ligt aan de beleidsbrief ‘Ons creatief vermogen’ van de ministeries EZ en OCenW, zou blijken dat alleen in de regio Amsterdam een aantoonbare invloed van de creatieve bedrijvigheid op de groei van de economie zou bestaan. De oorzaak daarvan is dat de ambachtelijke en industriële toepassingen van creativiteit niet in het onderzoek worden meegenomen.

Het paradepaardje van creatieve industrie dat de minister in de inleiding ten tonele voert, de Koninklijke Tichelaar Makkum, dat handbeschilderde keramiek maakt, wordt door dit onderzoek niet gerekend tot creatieve economie. Ook Hengelo, een van de proeftuinen, en Eindhoven, zouden weinig creatieve economie van betekenis hebben als ambachtelijke en industriële toepassingen buiten beschouwing worden gelaten. Het kernteam, en ook de deelnemende proeftuinen zien hier juist een kans voor hun stad. Zij willen graag de eng gedefinieerde creatieve klasse van Florida verbinden aan de ambachtelijke en industriële creativiteit en aan de lager opgeleiden.  

Ook het onderzoek naar regionale clusters (Robert Kloosterman en Rogier van der Groep), waarin de transactie en interactie rond het Media Park in Hilversum en de reclame in Amsterdam wordt geanalyseerd, wijst in een interessante richting. Soms zijn de clusters georganiseerd rond een grote afnemer zoals de NOB, soms is een cluster eerder een netwerk van talenten met snel wisselende contacten. 

Op basis van de praktijkervaring opgedaan in de proeftuinen in verschillende steden en de resultaten van (voor-) onderzoek (zie artikel ‘Stedelijke regio’s concurreren met creativiteit’, Creativiteit en de stad, Nai uitgevers 2005) kunnen een aantal ‘werkhypothesen’ worden geformuleerd. Deze werkhypothesen kunnen door toepassing in de praktijk en door nader onderzoek onderbouwd worden en nader geformuleerd:   

Werkhypothese 1
De creatieve bedrijvigheid heeft de grootste impact op de regionale economische prestatie wanneer deze zich verbindt met de stuwende bedrijfstakken in de regio.  

Werkhypothese 2
Creatieve bedrijvigheid leidt tot diversificatie van de regionale economie en tot diversificatie van de ruimtelijke voorwaarden. Dat wil zeggen dat de creatieve economie zich niet voegt naar de ruimtelijke voorwaarden van de bedrijfsterreinen en de kantoorlocaties. Zij heeft een sterke neiging tot vestiging in stedelijke omgevingen met een multifunctioneel karakter.   

Werkhypothese 3
De verschillende levensfasen van de creatieve bedrijvigheid vragen om verschillende voorwaarden:  in de groeifase is creatieve bedrijvigheid gebaat bij stedelijke biotopen met een hoog diversiteitgehalte en lage kosten in de doorgroeifase neemt de behoefte aan synergie, ruimte voor ontmoeting, kennis cross-overs en evenementen toe in de marktfase ontwikkelt de creatieve bedrijvigheid een uitermate diverse en extraverte biotoop waarin de ontmoeting tussen klanten en producenten centraal staat     Identiteit en marketing 

De spreiding van de creatieve milieus en de specialisaties van creatieve bedrijvigheid heeft geen willekeurig karakter, maar volgt patronen die voortvloeien uit de kracht en de kansen van regio’s. Projecten in de creatieve economie vragen om (her)definiëring van de kwaliteiten van stedelijke regio’s en aansluiting van de creatieve milieus bij de identiteit, economisch en cultureel, van een stad of stedelijk netwerk.

De proeftuinen zijn in enkele gevallen, zoals Coolhaveneiland in Rotterdam en het Oliemolenkwartier in Amersfoort, een zoektocht naar de nieuwe identiteit, de ‘brand’, van de het gebied en de stad of, zoals in het geval van de Noordvleugel van de Randstad, naar de identiteit van de creatieve metropool. De ‘brand’ kan niet willekeurig worden gekozen, de identiteit dient aan te sluiten bij de aanwezige kwaliteiten en de waarden van de gebruikers.   

De creatoop-ontwikkeling in Arnhem is erop gericht verschillende plekken rond en in de binnenstad een kleur te geven middels vestiging van creatieve bedrijvigheid. De ontwikkeling van meerdere creatieve milieus, met verschillende identiteiten, doelgroepen en kwaliteitsniveaus, wordt op gang gebracht middels samenspel van programma, marketing en ruimtelijke voorwaarden voor verschillende doelgroepen.  Op lange termijn dragen de proeftuinen bij aan de herformulering van de identiteit van de stedelijke netwerken. Tot op heden gebeurt dat min of meer uit de losse pols en weinig planmatig.   

Werkhypothese 1
Tijdelijke gebruikers, culturele programma’s en evenementen kunnen een belangrijke rol spelen in het aantrekken van de toekomstige gebruikers en de marketing van een creatief milieu. 

Werkhypothese 2
Creatieve steden kunnen elkaar niet ‘klonen’. Voor elke regio dienen de specifieke kwaliteiten van de creatieve economie en de stedelijke cultuur, het stedelijk DNA, te worden vastgesteld.   

Praktijkvraag: De creatieve economie kent geen toekomstbeeld, en toch verlangen ontwikkelende partijen meestal vooraf een beeld hebben van de eindsituatie. Hoe kan de identiteit van een gebied in dat geval worden vastgesteld?Hoe kan in de ontwikkeling van creatieve biotopen pro-actief worden geanticipeerd op kansrijke sectoren en bedrijfstakken van de creatieve economie in de betreffende regio?   

Onderzoeksvragen: Over de lange termijnontwikkeling is nog weinig bekend. Hoe verloopt de interactie tussen creatieve economie en andere sectoren? In hoeverre is er sprake van traditionele clustervorming rond een grote afnemer of heeft de clustervorming meer het karakter van een netwerk van talent? Hier is een analyse wenselijk die inzicht geeft in de verwachte ontwikkelingen van de creatieve economie in de komende jaren. Waaruit bestaat de identiteit van een gebied en onder welke voorwaarden kan deze ‘ontwikkeld’ worden? In hoeverre is er sprake van een creatief DNA en in hoeverre verschilt dit per stad? Welke ervaringen zijn elders opgedaan met ‘branding’ ten behoeve van de creatieve stadsontwikkeling?  

Metavragen:   Welke nieuwe inzichten hebben de proeftuinen opgeleverd in de betekenis van creatieve economie voor de stad, voor de ruimtelijke voorwaarden en voor de manier waarop het stadsbestuur met economisch beleid en stadsontwikkeling omgaat? Welke impact heeft de creatieve economie voor het nationale ruimtelijk economisch beleid?  Is de zoektocht naar identiteit van een wijk en de poging om deze te kleuren middels creatieve bedrijvigheid een terugval in de valkuil van de maakbare samenleving? Of is het slechts een bewuste strategie die inspeelt op een spontane dynamiek?